Interview | Monica Rotgans over het rijke palet van Australië

Jaarlijks verblijft kunstenares Monica Rotgans zo’n drieënhalve maand down under, in het zuiden van Australië. Ze snuift er de zee- en woestijnlucht op en struint het land af op zoek naar nieuwe pigmenten. ‘Ik werk met wat ik voor mijn neus zie.’

Opdrachtgever: Atelier Magazine | Tekst: interview met kunstenares Monica Rotgans (rubriek ‘Atelier op reis’) | Gepubliceerd:Atelier 171, juli-augustus 2014

‘De eerste pigmenten waarmee mensen schilderden was de kleur onder hun voeten. Daar komt verf vandaan. Dat wordt tegenwoordig zó vergeten.’ Kunstenares Monica Rotgans kan zich erover opwinden hoe synthetische verf uit tubes en flessen mensen heeft verblind voor de herkomst van echte verf – en het gevoel dat daarmee gepaard gaat. Ze woelt met haar vingers door een pot met rode oker die ze in Australië uit de outback – het binnenland – heeft gehaald. Haar atelier in Amsterdam, hartje stad, staat vol met zulke potten, met aarde, kalk, as en oker in alle schakeringen waarin de natuur ze aanbiedt. ‘Kijk, gele oker uit Australië is alweer heel anders van kleur dan gele oker uit Andalusië. De as van een verbrande pijnboom is zwarter dan van verbrande olijf. Als ik met deze pigmenten werk, dan werk ik met wat ik voor mijn neus zie. Ik bind het met een acrylbindmiddel. Vroeger deden ze dat met lijm, hars, caseïne of gewoon met spuug.’

Aan de andere kant van haar atelier verraadt een verzameling boeken haar fascinatie voor de herkomst van kleuren, aarde, stenen, verf. In 2005 gaf ze bij uitgeverij Terra Lannoo haar boek Verf: 500.000 jaar verf & schilderkunst uit, waarin ze de kunsthistorie nu eens niet behandelt vanuit stilistische en thematische kenmerken, maar vanuit het materiaal. ‘Ik lees daar zelf heel graag over. Neem bijvoorbeeld natuurlijk ultramarijn. Dat komt al ruim zesduizend jaar uit Afghanistan. Als je de geschiedenis bestudeert, zie je precies hoe het met boeddhistische monniken door Azië reisde, via Venetië in Europa belandde en via de Vikingen weer in Scandinavië terechtkwam. Je ziet het dan ook gefaseerd opduiken in de schilderkunst van al die contreien.’

Rode oker

Met haar interesse in oeroude pigmenten is het niet verwonderlijk dat Monica Rotgans zo geïnspireerd is door Australië. Ze kan de natuur en de zee daar schilderen met de materialen die die natuur zelf levert, de omgeving zit er vol mee. Jaarlijks verblijft ze zo’n drieënhalve maand in de buurt van het zuidelijk gelegen Adelaide.

Ze treedt er als het ware in de voetsporen van de Aborigines, die van oudsher de pigmenten van hun land aanwendden om mee te schilderen, te handelen en te communiceren. In hun cultuur droeg elke kleur een eigen betekenis. ‘Rode aarde stond voor bloed, dus voor leven of macht. Wit stond voor de dood, de hemel, de geest. Geel vertegenwoordigde de zon, zwart regen en water. Blauw en groen kwamen op het oorspronkelijke Aboriginalpalet niet voor.’ De oude symboliek gebruikt Rotgans zelf niet, van de kleuren maakt ze dankbaar gebruik.

In haar van kunst, boeken en stenen vergeven Amsterdamse woning haalt ze zich haar Australische ervaringen weer voor de geest. Ze is net terug van haar jaarlijkse reis, de indrukken zijn nog vers. Het is niet alleen de aarde, maar ook de zee, het licht, de dierenpopulatie die haar aantrekken. ‘De zee daar is veel indrukwekkender dan onze Noordzee. Het water is heel helder, het licht is er zo intens. Je hebt er totaal andere doorkijken dan hier. Het land is hard, heftig. Ik heb ook veel geschilderd in Andalusië; daar heb je een veel zachter licht, omdat het direct tegenover Afrika ligt, dus daar zit veel stof in de lucht. Aan de Australische zee is de lucht meestal stofvrij en schoon, het licht is er waanzinnig fel. In de woestijn heerst een enorme stilte. ’s Nachts is het echt donker. Al die sterren, de beesten die je hoort. En zoveel vogels. Papegaaien, kaketoes, emoes… Het is zo anders dan hier.’

Rechte horizon

Tijdens haar jaarlijkse verblijf in Australië observeert Rotgans de natuur. Ze reist door het landschap, maakt foto’s en verzamelt materialen die ze tegenkomt. ‘Het werken gaat altijd door. Vaak ga ik alleen maar kijken als er goed licht is, of bij bepaald weer. In mijn hoofd sla ik alles op. Maar ik moet het eerst verinnerlijken om het te kunnen reproduceren. Ik ben nu net terug in Nederland en moet alles nog laten bezinken. Dus maak ik eerst een paar stierenbeelden af, waarvoor ik dan weer inspiratie put uit mijn reizen naar Andalusië.’

Uiteindelijk verwerkt ze haar Australische indrukken in schetsen en schilderijen – haar schetsen in natuurlijke pigmenten, haar grotere werken in olieverf. Ze schildert met name de zee en het landschap. ‘En dan niet zozeer één moment of één plek, maar eerder een sublimatie van alle momenten, plekken en sferen die ik heb gezien en beleefd. Ik wil dat je voelt hoe de temperatuur is, welke tijd van de dag het is, wat voor sfeer zo’n omgeving oproept. Niet zozeer welk boompje waar staat.’

Met het schilderen van de zee stelt ze zich steeds voor een grote uitdaging. ‘Je zit altijd met een rechte horizon. Het is veel moeilijker dan een bos of een heide, waar je altijd wel heuvels of bomen hebt. Maar de energie van dat water… Hoe breng je die over? Ik zoek altijd naar een interactie tussen de lucht en de structuren in het materiaal.’

Gemis

De rauwheid van het Australische landschap grijpt haar elk jaar. Maar hoe graag ze er ook verblijft en hoezeer de Australische natuur haar ook voedt met inspiratie, zelf zou Rotgans zich nooit een Australische kunnen voelen. Daarvoor is de cultuur haar te gekunsteld. ‘Als ik daar ben, voel ik dat ik er niet thuishoor. Hier in Nederland is alles organisch gegroeid. Daar zijn in de zeventiende eeuw de blanken gekomen en die hebben alles nieuw ingericht. Als je de bocht om rijdt, stuit je nooit op een mooi oud kerkje, want die zijn daar niet. Dat is heel bevreemdend.’

En dan is er natuurlijk het gemis van de oorspronkelijke Aboriginalcultuur, de bevolking die juist zo sterk verbonden was met de aarde. ‘Op veel plekken staat tegenwoordig een bordje waarop staat dat die en die stam daar heeft geleefd, daarmee is er tenminste nog een soort erkenning gekomen voor de oorspronkelijke bewoners.’ Toch blijft het slechts een pleister op de wonde.

Intussen werken de meeste hedendaagse Aboriginalkunstenaars, net als het gros van de westerse schilders, met voorgemengde verf uit tubes. ‘Ik vind dat erg jammer. Daarmee is een rijke traditie verlorengegaan. Het is een uitvloeisel van een sociaal project uit de jaren zeventig, waarbij de Aborigines tubes verf kregen om te gaan schilderen, passend in de wens om hen weer een zinvol bestaan te geven. Met het verjagen van de Aborigines hadden de blanke, westerse immigranten natuurlijk hun hele maatschappij uit elkaar gejaagd. Met dit soort herstelprogramma’s moest dat worden goedgemaakt.’

‘Goedgemaakt’, Rotgans heeft er zo haar bedenkingen bij. Synthetische verf die het wint van de natuurlijke kleuren die Australië zelf al eeuwenlang levert, met hun historie en hun sterke symboolwaarde? Monica Rotgans woelt haar hand nog maar eens door een pot met gele oker.

Meer informatie:

www.monicarotgans.nl

 

Advertenties